Een begroting zonder toekomstvisie

De Eerste Kamer heeft ingestemd met de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Daarmee zet het kabinet-Schoof zijn koers voort, met slechts beperkte bijstellingen. Voor Volt is dat een gemiste kans. Juist in een wereld waarin conflicten, armoede en klimaatverandering steeds meer met elkaar samenhangen, zou Nederland moeten kiezen voor een ambitieuzere en toekomstgerichte inzet op ontwikkelingssamenwerking.

1 jul. 2026

Waar ging het debat over?

Het debat in de Eerste Kamer ging in de eerste plaats over de omvang van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. De centrale vraag was in hoeverre Nederland nog voldoet aan de internationale afspraak om 0,7% van het bruto nationaal inkomen (BNI) te besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Die norm raakt steeds verder uit beeld.

Daarnaast ontstond discussie over de hogere Nederlandse bijdrage aan UNRWA, het VN-agentschap dat Palestijnse vluchtelingen ondersteunt. Met name partijen aan de rechterkant van het politieke spectrum hadden daar grote bezwaren tegen.

Uiteindelijk bereikten het kabinet en PRO in de Eerste Kamer een akkoord, waardoor het budget voor 2026 wordt verruimd met 228 miljoen euro. Dat klinkt positief, maar de rekening wordt doorgeschoven naar de jaren daarna. Door deze verhoging ontstaat namelijk een extra bezuinigingsopgave in latere jaren.

Waarom Volt deze begroting niet steunde

Volt heeft tegen deze begroting gestemd, omdat de extra investering voor 2026 feitelijk een sigaar uit eigen doos is. Het geld dat nu wordt toegevoegd, wordt in latere jaren weer weggehaald. Daarmee wordt de begroting op termijn alsnog afgebouwd.

Kortom, de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp wordt niet structureel versterkt, maar slechts incidenteel aangevuld met extra middelen. Dat vind ik onverstandig en begrotingstechnisch onzuiver. Een beleidswijziging van deze omvang hoort niet te worden betaald met een zogenoemde kasschuif-methode of een boekhoudkundige verschuiving, maar met structurele middelen. Als Nederland werkelijk wil bijdragen aan stabiliteit, economische ontwikkeling en het terugdringen van ongelijkheid, vraagt dat om duurzame investeringen in plaats van een tijdelijke boekhoudkundige oplossing.

Sommige partijen in de Eerste Kamer steunden de begroting vanwege het risico dat er anders helemaal geen begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp zou zijn. Die redenering deelt Volt niet. Als de Eerste Kamer een begroting verwerpt, is dat juist een duidelijk signaal aan het kabinet om met een beter voorstel te komen. Dat is hoe onze parlementaire democratie hoort te functioneren.

Hoe nu verder?

Ik hoop oprecht dat mijn zorgen ongegrond blijken en dat PRO er ook de komende jaren in slaagt meer middelen voor ontwikkelingssamenwerking veilig te stellen. Op dit moment is daar echter weinig zekerheid over. Het risico is groot dat de begroting voor 2027 de ingezette afbouw onder minister Klever verder voortzet.

In september wordt met de Miljoenennota duidelijk welke keuzes het kabinet daadwerkelijk maakt. Dan zal blijken of Nederland opnieuw kiest voor kortetermijnpolitiek, of bereid is te investeren in internationale samenwerking en een stabielere wereld. Ik ben ervan overtuigd dat wij als parlementariërs daarbij een positieve en constructieve bijdrage kunnen leveren.