Maidenspeech Pim van Burk

Op woensdag 2 september 2026 hield Pim van Burk zijn maidenspeech in de Amsterdamse gemeenteraad. Hij sprak naar aanleiding van het gewijzigde initiatiefvoorstel ‘Amsterdam samen tegen moslimdiscriminatie’. Hieronder lees je zijn volledige speech.

2 sep. 2026
Pim

Maidenspeech Pim van Burk

Toen mijn moeder op haar 26e stopte met de pil omdat zij en mijn vader aan kinderen wilden beginnen, kreeg ze kort daarna de diagnose van een zeldzame vorm van kanker in haar knie. Ze stond voor de keuze tussen een behandeling met een zeer kleine kans op herstel of het amputeren van haar been. Ze koos voor het laatste. Toen ze bijkwam uit narcose, stond mijn vader dolgelukkig naast haar bed met een grote bos bloemen. Ze vierden niet dat haar been weg was, maar dat de kanker weg was. In de jaren daarna kregen ze drie kinderen, ik ben de jongste.

Dat was het verhaal dat ik als kind van mijn ouders meekreeg. Ik groeide op met een moeder met één been en wist niet beter. Vol trots duwde ik als klein kind haar rolstoel. Als mensen naar de stomp van mijn moeder wezen of erom lachten, verblikte of verbloosde zij niet. Ze bleef altijd kalm en onberoerd, ze zei dat we het moesten negeren en dat ik het later wel zou begrijpen.

Maar we lachten er ook zelf om: zo lukte het mijn moeder niet om haar invalidenparkeerkaart bij de gemeente verlengd te krijgen. Ze had toch echt een doktersverklaring nodig om te bewijzen dat haar been niet was aangegroeid. Zelfs het zwaaien met haar stomp wist de ambtenaar aan het loket niet te overtuigen. Nooit kwaad, nooit verdrietig, altijd positief en met een lach.

Toen ik volwassen was, ontdekte ik ook een andere kant. Toen mijn moeder zwanger was, ging ze naar de zwangerschapsyoga van het ziekenhuis. Nog voor de eerste les werd ze apart genomen. Terwijl de rest van de groep een ‘cat-cow’ deed, kreeg mijn moeder aan de zijkant te horen dat ze niet meer welkom was: de andere zwangere vrouwen zouden stress kunnen krijgen van het zien van haar handicap en dat zou schadelijk kunnen zijn voor hun ongeboren kinderen.

In 1981 schreef mijn moeder daarom naar de Libelle. Ze vond dat daar alleen maar het perfecte plaatje van het moederschap werd weergegeven. Ze schreef onder een schuilnaam, omdat ze niet wilde dat haar kinderen ermee geconfronteerd zouden worden. Ik ontdekte pas vorige week dat diezelfde vrouw, mijn moeder, onder die schuilnaam in datzelfde tijdschrift was uitegeroepen tot moeder van het jaar. Dat vond ik achteraf misschien wel het mooiste bewijs van hoe zij met haar beperking omging.

Ik heb in al die jaren nooit schaamte of verdriet gevoeld over de handicap van mijn moeder. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld. Omdat mijn moeder er normaal over deed, deed ik dat ook. Ik had het geluk dat mijn moeder zo’n krachtig en positief rolmodel voor mij was. Dat is helaas niet iedereen gegund.

Door de manier waarop mijn moeder ermee omging, werden wij als kinderen beschermd tegen de gevolgen van de discriminatie die zij vanwege haar handicap ondervond. Maar daarmee was die discriminatie niet verdwenen laat staan structureel bestreden. Ervaringen bespreekbaar maken en het maatschappelijke debat aanzwengelen, zoals mijn moeder deed, zijn daarin belangrijke stappen.

Aan discriminatie liggen vaak vooroordelen en stereotypering ten grondslag. Ik weet dat ik zelf het geluk heb dat ik niet dagelijks met discriminatie word geconfronteerd. Maar ook als je, zoals ik, op mannen valt, ervaar je soms wat het doet wanneer iemand op basis van één eigenschap denkt te weten wie je bent. Zo staat er met regelmaat bij mijn huis, midden op de Wallen, iemand met een microfoon, een luidspreker en een Bijbel. Hij roept dat sekswerkers onzedelijk zijn, dat homo’s ziek zijn en moeten genezen en dat transgenders… ik ga dat hier niet eens herhalen. Volgens hem gaan we in ieder geval allemaal naar de hel. Tot in onze slaapkamer is dat minutenlang hoorbaar.

Ik blijf bewust binnen, want het liefst smijt ik zijn apparatuur de gracht in. Hij ziet me niet, hij kent me niet, maar zijn woorden gaan wel over mij. Het feit dat ik op mannen val, lijkt voor hem genoeg om te bepalen wie ik ben en wat er mis met mij zou zijn.

Die woorden maken mij boos. Maar ik zou hem nooit tot vertegenwoordiger van alle christenen maken. We kunnen zijn uitspraken scherp veroordelen zonder iedereen die zijn geloof deelt daarvoor verantwoordelijk te houden. Mijn ouders zijn ook christelijk en denken totaal anders. We kunnen groepen mensen uit de samenleving nou eenmaal niet over een kam scheren, of dat nou gaat over seksuele geaardheid, fysieke beperking of religie. En dat brengt me tot dit initiatiefvoorstel waarmee de strijd aangegaan wordt tegen moslimdiscriminatie.

Ik ben een groot voorstander van een ruime vrijheid van meningsuiting, ook wanneer deze uitspraken mij boos maken of kwetsen. Dat ontslaat de degene die zich uitspreekt niet van de morele plicht om na te denken over het effect van zijn worden, zeker wanneer je een groot bereik hebt, bijvoorbeeld in de media of in de politieke arena. Want woorden doen er toe. Met woorden kunnen we problemen zichtbaar maken, maar ook mensen reduceren tot een stereotype.

Daarom heb ik er moeite mee als politici steeds opnieuw hele groepen over één kam scheren met het argument: “Je moet het toch kunnen benoemen?” Het benoemen lijkt daarbij soms bijna een doel op zichzelf te worden. Natuurlijk moeten we ook dingen kunnen blijven benoemen, maar laten we dan wel precies zijn. Benoem het concrete feit, de opvatting of het gedrag en richt je op de oplossing. Maak nooit een hele groep verantwoordelijk en oordeel al helemaal niet vooraf over ieder individu binnen die groep.

Te vaak berusten zulke groepsbeelden helemaal niet op feiten, maar worden ze gevoed door onterechte aannames, onwetendheid, complottheorieën of xenofobie. Veel islamitische Amsterdammers hebben daar dagelijks mee te maken: op televisie, in het politieke debat, op straat, bij een sollicitatie of bij de portier als ze een club in willen. Moslimdiscriminatie mogen we nooit normaal gaan vinden. Dit initiatiefvoorstel zet daarom in op educatie, het tegengaan van complottheorieën, het doorbreken van stereotypen en het inzetten van moslimvrouwen als rolmodellen. Daarom verdient het onze volle steun.

Waar mijn moeder in eerste plaats gewoon mijn moeder was, maar niet die ene gehandicatpe vrouw, zijn de inwoners van deze stad in de eerste plaats gewoon Amsterdammer. Welke beperking iemand ook heeft, welke letter van de LHBTIQ+ ze ook zijn, of welke religie ze ook hebben, in de eerste plaats zijn we allemaal Amsterdammer.